Schoonspringen komt al voor in de oude Griekse- en heldendichten voor, maar in die tijd werd het niet schoonspringen maar waterspringen genoemd. Men heeft grafschilderingen, vazen, afbeeldingen en beschrijvingen gevonden dat daardoor zoveel bekend is, dat we ons een goede voorstelling kunnen maken over hoe het eraan toe ging. Er zijn veel afbeeldingen gevonden van salto’s en andere moeilijke vormen waarbij op de grond wordt geland. De helden van Homerus worden ook als voortreffelijke zwemmers en springers geroemd. Maar waar sprong men dan vanaf? In die tijd waren er natuurlijk nog geen duikplanken, dus gebruikte men daar rotsen voor. Een bijzondere rol speelt de “Sprong van de rotsen van Leukades” (tegenwoordig Kaap Ducato).

De sprong van de hoge rotsen werden ook aanbevolen als middel tegen verliefdheid. De exacte hoogte waarvan afgesprongen werd is onbekend. We kunnen het angstaanjagende enigszins afleiden uit het feit dat een ongelukkige Griek bij het zien van de onheilspellende diepte op het laatste moment terugstapte en liever lafheid en godslastering werd verweten, dan het ongewisse van de sprong onderging.

Bij feestelijke gelegenheden kwamen er springers, die tegen betaling in de diepte sprongen, en die als eerste als professionele springers kunnen worden beschouwd.

In de middeleeuwen kreeg het springen maatschappelijke waarde en was één van de ridderoefeningen “de sprong in het water”. In Frankrijk moest deze sprong zelfs als proef worden afgelegd, voordat men tot ridder kon worden geslagen. Zoals in veel helden verhalen beschreven staat behoorde tot de ridderoefeningen ook het “te paard gezeten” in het water springen. Het was dan de bedoeling om met paard en al van een brug af te springen. Had je deze proef doorstaan dan werd je tot ritmeester bevorderd.

Het springen van bruggen en andere obstakels werd erg populair en kwam zo vaak voor dat het hinderlijk werd en moest worden ingedamd. Maar boetes mochten niet baten met het gevolg dat men er lustig op los bleef springen.

Tot ongeveer 1800 bestonden er geen springplanken. Men sprong zoals we weten overal vanaf, maar had alleen de pretentie om recht in het water te komen. In de “zwembaden” verschenen toen de eerste springtorens, “de springpaal”.

Maar bij het springen bleef het niet! De ijdelheid van de mens zorgde ervoor dat het springen steeds mooier en met meer gratie moest gaan geschieden. Daarnaast kwam het tonen van moed en durf, waardoor het springen steeds moeilijker vormen aan ging nemen. Zo is de sport onder de naam “schoonspringen” ontstaan. Een merkwaardige naam! Terwijl andere landen zich taalkundig beperken tot “diving” of “plongeon” is in het Nederlandse aan “springen” het woordje “schoon” toegevoegd. Bij het oefenen komt de schoonheid er niet altijd uit, hoewel als alles goed gaat, het esthetische element onverbrekelijk met het springen verbonden is.

In Duitsland werd in 1840 de eerste Duitse zwemvereniging opgericht die zich richtte op zwemmen en waterspringen. Langzamerhand ontwikkelde het springen zich tot een kunst. Het is de verdienste van de Duitse turners, dat zij de verschillende en kunstige sprongen in structuur hebben gezet.

Ook de afzetplaatsen werden steeds meer vervolmaakt en men ging het accent leggen op het echte springen, d.w.z het naar boven springen. Automatisch werd toen gezocht naar hulpmiddelen die de springer in staat stelde de opwaartse sprongen hoger te maken.

Met deze ontwikkeling ging natuurlijk ook de techniek meespreken. Het schoonspringen ontwikkelde zich tot een ware sport. Het organiseren van wedstrijden bleef dan natuurlijk ook niet uit.

Engeland begon in 1880 met de eerste springwedstrijd. In Nederland duurde het tot 1894 voor de eerste zwemclub werd opgericht.

Daarna ging het snel. Begin 20ste eeuw werd het springen officieel opgenomen in het programma van zwemwedstrijden. Op de Olympische Spelen van 1904 werd het springen geintroduceerd, maar pas in 1908 in Londen werd deze sport als volwaardig olympisch nummer opgevoerd. Dames mochten toen pas in 1912 meespringen op de Olympische Spelen. De sprongen waren eenvoudig en zelden gecombineerd met salto’s en schroeven.

Op de Olympische Spelen van 1984 sprong onze Nederlandse deelneemster Daphne Jongejans als moeilijkste sprong 21/2 contrasalto gehurkt; een sprong die tot aan de tweede wereldoorlog verboden was voor dames.